Borg Bijma (het Faan)

Borg Bijma

In buurtschap Het Faan (het veen) ligt een rijk stuk geschiedenis verborgen. Aan de Fanerweg, op de grens van de gemeenten Zuidhorn en Grootegast, heeft namelijk de borg Bijma gestaan. Deze borg werd omgeven door een fraai park met   bos. Helaas zijn rond 1850 de bossen gekapt en is de borg gesloopt.

In 1957 is in het kader van de werkverschaffing door de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (R.O.B.) een onderzoek ingesteld op het voormalige borgterrein. Er bleek toen, dat een groot gedeelte van de fundering en enkele keldervloeren nog aanwezig waren. Na het onderzoek is alles weer keurig toegedekt, en zijn de resten van de grachten uitgevlakt. Veel is er nu dan ook niet meer te herkennen van de eens zo statige borg, alleen de uitdraai voor de rijtuigen en een groepje bomen zijn de stille getuigen van de vergane glorie. Men kon tijdens de opgravingen vrij aardig de bouw en de diverse uitbreidingen reconstrueren. Als eerste kern kwam het destijds aan een beek   (kreek of priel) gelegen huis te voorschijn, groot ongeveer 10 bij 20 meter. Men had deze beek deel laten uitmaken van de ringgracht die ter bescherming rond het huis gegraven was. In latere jaren is het gebouw vele malen uitgebreid en verfraaid en is er een tweede gracht omheen gegraven. De borg bezat 37 ha. bos en land ( 77 grazen).

Als eerste met naam genoemde bewoner kennen wij Menne Benijnghe, hoveling te Faan. Deze diende in 1392 een nota in bij de stad Groningen voor schade door Groninger soldaten aangericht in zijn huis. De soldaten waren in het Westerkwartier bezig geweest een terroriserende bende te achtervolgen en hadden in zijn huis verbleven en het niet geheel ongeschonden achtergelaten.

Honderd jaar later woonde op de borg het geslacht Bijma en in de 16e eeuw de familie Millingha, die het kerkje van het Faan lieten herbouwen. In de 17e eeuw bewoonden de Aldringa’s, die van de verfraaide boerderij Bloemersma in Niekerk kwamen, de borg. Het huis Bijma vererfde daarna aan de beruchte Rudolf de Mepsche en in die tijd vond het zogenaamde monsterproces plaats. De borg werd in die periode weer grondig gerestaureerd, en er kwam niet alleen een groot bos bij, maar ook visvijvers, volières, een waterval en andere attracties. Door de dure restauraties en het monsterproces zat Rudolf de Mepsche in 1753 ‘op zwart zaad’ en moest hij zijn bezit verkopen. Zijn zwager Jhr. Edzard Reint Alberda van Bloemersma werd koper.

De revolutionaire beweging aan het eind van de 18e eeuw ontnam de landadel veel van hun rechten en de daaruit voortvloeiende   bronnen van inkomsten. Daardoor raakten de Alberda’s   in de problemen en ook zij zagen zich genoodzaakt het huis te verkopen. De borg, die nog steeds de naam “Bijma” droeg, kwam in handen van jonkheer mr. d’Aulnis de Bourouill. Deze werd in de Franse tijd burgemeester van de nieuw gevormde gemeente Oldekerk. In 1813, na de Franse tijd, bleef d’Áulnis dit ambt bekleden en werd later opgevolgd door zijn zoon. Al had de adel wel een aantal rechten terug gekregen, van de lucratieve banen van voorheen was nu geen sprake meer. Met het karige burgemeestersinkomen van f.175.- per jaar was Bijma niet te onderhouden en het werd een aflopende zaak. In de loop der jaren werden eerst nog duizenden bomen verkocht, totdat ook de borg voor de sloop van de hand moest worden gedaan.

                                                                                    

[Afbeelding: borg Bijma, 't Huis tot Faan]